Main Index: Hollands Statenvertaling

Spreuken van Salomo 25

[1]    [2]    [3]    [4]    [5]    [6]    [7]    [8]    [9]    [10]    [11]    [12]    [13]    [14]    [15]    [16]    [17]    [18]    [19]    [20]    [21]    [22]    [23]    [24]    [25]    [26]    [27]    [28]    [29]    [30]    [31]   

25:1 Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.

25:2 Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

25:3 Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.

25:4 Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

25:5 Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

25:6 Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

25:7 Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

25:8 Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

25:9 Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

25:10 Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

25:11 Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

25:12 Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

25:13 Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.

25:14 Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.

25:15 Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

25:16 Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.

25:17 Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

25:18 Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.

25:19 Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.

25:20 Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en als edik op salpeter.

25:21 Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;

25:22 Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

25:23 De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.

25:24 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

25:25 Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.

25:26 De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.

25:27 Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.

25:28 Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.

Check Our HOME PAGE for Other Languages
This site was created originally by
BibleDatabase